Recruitment Outsourcing, IT- & Executive-search

Anciënniteit ‘vast’ vs ‘flex’ personeel

Al pratend over de verdeling tussen ‘fixed’ en ‘flex’ medewerkers werd onlangs door een klant stellig beweerd dat er bijna geen verschil meer is in de duur van de overeenkomst van opdracht (externen) en de arbeidsovereenkomst (medewerkers).  Zo’n opmerking horen we in verschillende contexten wel vaker en dan is natuurlijk snel de vraag gesteld: is dat ook zo ?

Voor dit soort dingen bellen we dan met Intelligence Groep. Dat deden we op 30 mei jl om 16:48 uur en om 19:14 kregen wij de navolgende data retour.

anciënniteit

Bron van data is het CBS, de gemiddelde anciënniteit. Daar bedoelen we dan de gemiddelde periode dat iemand met een betaalde baan werkzaam is bij zijn huidige werkgever. De arbeidsmobiliteit, hoe kan het ook anders, zit in de doelgroep jonger dan 35. Jongeren tot 25 jaar wisselen gemiddeld binnen de 2 jaar. Daarna verdubbelt de mobiliteit ruim naar 2 keer als de groep tussen de 25 en 35 jaar is, om in de 10 jaar daarna (tot 45 jaar) weer bijna te verdubbelen. Dan wisselt men gemiddeld nog 1 keer van werkgever (om de 9 jaar). Iedereen ouder dan 45 wisselt nauwelijks nog van baan, getuige het feit dat de groep tussen de 55 en 65 jaar gemiddeld al 20 jaar bij hun werkgever werken. Interessant is vooral dat de gemiddelde duur van het dienstverband hoger ligt dan waar alhier op kantoor op in werd gezet. Natuurlijk, dit is data over alle functiegroepen, alle opleidingen en branches. Er zijn natuurlijk onderlinge verschillen, het gaat ons alhier even om het algemene beeld.

We gaan dit de komende jaren eens volgen. Gaat bijvoorbeeld de Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties inderdaad meer mensen terugbrengen in een dienstverband en heeft dat effect op de anciënniteit (= het aantal jaren werkzaam bij een werkgever) ?

En als we het onderwerp kleiner maken: hoe verbeter je retentie in de jongere doelgroepen en wellicht mobiliteit in de oudere doelgroep. Je wil toch voorkomen dat recruitment zich continue moet gaan richten op het vervangen van de jonge workforce, terwijl de “oudere jongeren” verminderde mobiliteit laten zien.